De gedenksteen

“Een mens is pas vergeten, als zijn naam vergeten is.”
In de Tweede Wereldoorlog werden rond de 6 miljoen Joden vermoord, waarvan 102.000 uit Nederland. Het is gemakkelijk deze getallen te noemen, maar velen kunnen zich er weinig bij voorstellen. Getallen zeggen niets over de mensen, niets over het leed.
Tijdens de oorlog werden ook de Meppeler Joden weggevoerd en voor het grootste gedeelte vermoord: van de 251 Joodse inwoners van Meppel in 1942, waren er aan het einde van de oorlog nog 25 in leven.
Tot oktober 1942 konden de Meppeler Joden volgens de orthodoxe gebruiken worden begraven op de Joodse begraafplaats aan de Steenwijkerstraatweg. Respect voor de doden stond hierbij centraal. De manier waarop tijdens de oorlog met vermoorde Joden werd omgegaan getuigde allerminst van respect. De meesten hebben geen eigen graf, maar zijn in grote aantallen verbrand.
Om vermoorde Joden toch met respect te gedenken, bedacht de Duitse kunstenaar Günther Demnig in 1993 het project Stolpersteine: een klein, vierkant koperen plaatje met naam van een slachtoffer op een steen (één persoon, één steen) wordt op de straat voor het laatste woonadres aangebracht. In 1996 werden de eerste Stolpersteine (toen nog illegaal) in Berlijn gelegd. Inmiddels liggen er meer dan 61.000 Stolpersteine (ook wel struikelsteen of gedenksteen genoemd) in ongeveer 1200 plaatsen in Europa. In Meppel liggen nu 80 gedenkstenen. De Stichting Gedenkstenen Meppel wil uiterlijk 2021 ervoor zorgen dat alle vermoorde Meppeler Joden hun eigen gedenksteen krijgen. Hun namen mogen niet verloren gaan. Iedere keer dat iemand de tekst op een gedenksteen probeert te lezen, zal hij zijn hoofd moeten buigen en daarmee blijk geven van zijn respect.